Mimi

Op haar vijfenzestigste werd bij haar de ziekte van Alzheimer vastgesteld. Zelf had ze er nooit in geloofd, zelfs niet toen ze op een dag na het boodschappen doen haar huis niet meer kon terugvinden. Uren had ze rondgedwaald, tot ze uiteindelijk door een buurvrouw, die haar tegenkwam bij het busstation vijf kilometer van huis, werd thuisgebracht. Eenmaal thuis was ze woest geworden. Hoe had zij nu moeten weten dat ze de route naar huis hadden veranderd? Al die verbouwingen tegenwoordig, ze herkende haar eigen dorp niet meer. Schandalig was het, ze zou een klacht gaan indienen bij de gemeente.

Na het fiasco met de boodschappen ging het snel achteruit met Mimi. ’s Nachts hoorde ik haar rommelen in de woonkamer, op zoek naar haar autosleutels. Anders kon ze de volgende dag niet naar haar oudere zus toe. Meestal stond ik op, zette ik koffie en hielp ik haar met zoeken. We keerden hele kasten en lades binnenstebuiten. Soms kwamen we spullen van vroeger tegen: de cognacfles van haar vader, of de speen van mijn moeder, en dan zaten we uren op het tapijt in onze pyjama’s, terwijl zij haar herinneringen met mij deelde. Sinds mijn geboorte had ze al geen auto meer. En ook geen zus.

De bezoekdagen zagen er meestal hetzelfde uit: ik liep het verpleeghuis binnen, langs de receptie, rechtsaf door de lange gang naar buiten, naar het terras. Daar rookte ik eerst in mijn eentje een sigaret, en praatte mezelf moed in. Zodra de sigaret op was, vervolgde ik mijn route naar de afdeling dementie. Zelfs blind had ik die kunnen vinden, door alleen maar op de geur van doodgekookt eten en volle incontinentieluiers af te gaan. Daar opende ik met een code (jaartal min zeventien) de schuifdeur, waarachter standaard een aantal oudjes klaar stond om naar buiten te glippen. Het was altijd weer een uitdaging om ze de weg naar de vrijheid te versperren, totdat de deur, die automatisch sloot na vijf seconden, dat weer van me overnam. Tuinpad 11, dat was het “adres” van de woongroep waarbinnen Mimi’s kamer zich bevond. Ik vond dat raar, dat adres. Alsof het hier een gewoon huis in een gewone straat betrof. Niets was minder waar.

Mimi’s groepsverblijf was de laatste aan een lange gang. Aan het einde van die gang versnelde ik altijd mijn pas, want op de één na laatste groep zat mevrouw De Vries. Mevrouw De Vries was niet erg op mij gesteld. Volgens mij was mevrouw De Vries op niemand gesteld. Ze kon heel hard schreeuwen en dat deed ze dan ook veelvuldig. Helaas had ik eens ervaren dat mevrouw De Vries ondanks haar leeftijd ook heel hard kon slaan, met haar wandelstok. Gelukkig kon ik nog altijd harder lopen en hoefde ik de nare verwensingen die naar mijn hoofd werden geslingerd alleen maar te negeren. “Tyfushoer! Teringlijer! Val dood, kankerwijf!” Dat dan juist die woorden bleven hangen als je hersenen langzaam afstierven… “Skellen doet geen seer”, had Mimi vroeger in het Leeuwarders gezegd.

Eenmaal bezweet bij de afdeling aangekomen, drukte ik op de deurbel en dan deed iemand van de aanwezige verpleging de deur open. De verpleegkundigen op Mimi’s groep waren stuk voor stuk aardige mensen met het hart op de juiste plaats, al dacht Mimi daar zelf anders over. Vooral van de mannen moest ze niets hebben. Dat gedeelte van haar persoonlijkheid was dan weer niet veranderd door haar ziekte.

Mimi had haar eigen luie stoel, die tussen de andere luie stoelen in een kringetje in de woonkamer stond. Daar zat ze altijd mopperend aardappels te schillen, wortelen te wassen of kleding op te vouwen. Als ze mij zag, lichtte haar gezicht op. In een heldere bui riep ze mijn naam, in een minder heldere bui die van mijn tante. Het maakte mij niet uit, ze was altijd even blij om me te zien. In het begin nam ik haar aan de arm mee naar de rookruimte, later in een rolstoel. Mimi had altijd als een ketter gerookt, maar de verpleging had het vrijwel altijd te druk om met haar mee te gaan. Alleen roken mocht niet meer, na het “aanstekerincident”, waar ik nooit het fijne van heb geweten. Haar nicotinetoevoer was dus afhankelijk van het bezoek dat ze kreeg. Misschien was ze daarom altijd zo blij om me te zien, zelfs toen ze later geen idee meer had wie ik was.

In de rookruimte probeerde ik haar altijd zoveel mogelijk sigaretten te laten roken in een zo kort mogelijke tijd. Dan kon ze weer even vooruit. Of eigenlijk kon mijn geweten dan weer even vooruit. Ik haalde koffie voor ons uit de koffieautomaat, en af en toe schoof Jan aan. Jan was een grote man met handen als kolenschoppen en donkere, borstelige wenkbrauwen. Hij was jonger dan de rest, ik vermoedde zo eind vijftig. Vasculaire dementie als gevolg van een beroerte, had zijn dochter me ooit verteld. “Koffie”, zei Jan altijd op norse toon. “Wil je een kopje koffie, Jan? Zal ik dat even voor je regelen?” antwoordde ik iedere keer vrolijk. Hij knikte dan heftig. Zodra ik het dampende bekertje slootwater voor hem neerzette, begon hij te commanderen. “Melk. Suiker. Ja, twee klontjes. Roeren.” Mimi keek hem altijd met bange ogen aan en ik probeerde haar dan met mijn meest vriendelijke blik gerust te stellen. Zodra ik alle bevelen van Jan had opgevolgd, dronk hij zijn koffie in drie slokken op en vertrok, om vervolgens binnen tien minuten weer binnen te stormen en dan begon alles weer van voor af aan. Ik vond het leuk, al kon ik niet precies vertellen waarom.

Als ik Mimi’s zichtbaar aftakelende lichaam weer tot de nok toe had gevuld met nicotine en cafeïne, gingen we buiten een rondje lopen. We kletsten honderduit. Zij in het Leeuwarders, ik in het Nederlands. Ik had soms geen idee waar ze het over had, en waarschijnlijk was dat andersom niet anders. Iedere keer als ik daar zo liep, in de straten rondom het tehuis, kwam even de gedachte in me op om haar mee te nemen naar Groningen. Mijn Mimi hoorde niet tussen die rare mevrouw De Vries en die grote boze Jan waar ze zo bang voor was. Ze hoorde bij mij, ik wilde net zo goed voor haar zorgen als zij vroeger voor mij had gedaan. Maar Mimi meenemen, dat kon niet. Mijn studentenkamer was amper groot genoeg voor mezelf. En dus, als ik weer genoeg moed had verzameld, bracht ik haar altijd braaf op tijd voor het avondeten “thuis”.

Deze keer ging het anders. Het begon zoals altijd: receptie, terras, sigaret, jaartal min zeventien, mevrouw De Vries, deurbel… Maar nu werd ik niet door een vrolijk bekend gezicht begroet toen de deur openging. In plaats daarvan werd ik verwelkomd door een arts met een serieus gezicht. En een arts op de afdeling, dat was geen goed nieuws, dat wist iedereen. Hij gaf me een hand. “Mevrouw Driewieler?” Ik knikte. “We zaten al op u te wachten.”

6 gedachten over “Mimi

  1. losjes gebaseerd op Omi? …pfff…
    mooi gedaan xxx

    Liked by 1 persoon

  2. NEEEEEEE, geef me er vervolg!!!!!!!

    Liked by 1 persoon

    1. ER = HET !!!! Aaahhhhh

      Like

  3. Ik kende nem alen hij blijft mooi….

    Like

  4. Dennis Driewieler 29 oktober 2014 — 09:57

    Netjes hoor nichtje 🙂 xx

    Like

  5. ‘Mijn Mimi hoorde bij mij, ik wilde net zo goed voor haar zorgen als zij vroeger voor mij had gedaan … Maar dat kon niet’. De onherroepelijkheid van het noodlot en de onmacht van de liefde, twee levensthema’s, fijnzinnig verwoord – en verzacht – in deze ontroerende getuigenis van menselijke eenzaamheid.

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close